Wie in september de schep pakt om alle bloembollen tegelijk te planten, maakt een dure fout: tulpen horen niet in september de grond in, maar in november of zelfs december. De reden is tulpenvuur (Botrytis tulipae), een schimmelziekte die bij tulpen floreert in warme, vochtige grond en die door late aanplant in koude grond effectief wordt ingeperkt. Narcissen, krokussen en sneeuwklokjes kunnen en mogen juist vanaf september geplant worden.

Sneeuwklokje (Galanthus)September tot oktober
Krokus (Crocus)September tot oktober
Narcis (Narcissus)September tot november
Blauwe druif (Muscari)September tot oktober
Hyacint (Hyacinthus)September tot oktober
Sierui (Allium)September tot oktober
Tulp (Tulipa)November, desnoods december

Waarom tulpen wachten

Tulpenvuur is een schimmel die zich ontwikkelt op tulpenbollen en bladeren, met name in warme, vochtige omstandigheden. De ziekte veroorzaakt bruine vlekken op blad en bloem, misvormde planten en in ernstige gevallen volledige rot van de bol. Wie tulpen in september plant, zet ze weg in grond die nog relatif warm is en waarin de schimmel zich ongestoord kan vestigen. Door te wachten tot november of zelfs begin december, wanneer de bodemtemperatuur structureel is gedaald, krijgt de schimmel minder kans.

Koude grond remt de ontwikkeling van Botrytis tulipae zonder de beworteling van de tulpenbol te schaden. Tulpen hebben een koudeperiode nodig om te bloeien, maar die hoeft niet lang te zijn: een paar weken volstaan. December is nog niet te laat, zolang de grond niet bevroren is en de schep er nog doorheen komt. Voor alle andere najaarsbollen geldt deze uitzondering niet: narcissen, krokussen, hyacinten en sieruien gaan gewoon vanaf september de grond in en hebben geen last van een langere wachttijd in warme grond.

Wie halverwege de herfst een partij tulpen in de aanbieding ziet, kan dus gerust kopen en thuis bewaren tot het koeler is. Bollen zijn levende planten en kunnen uitdrogen bij te lang wachten, maar een paar weken op een koele, droge plek schaden niet en verlagen het risico op tulpenvuur aanzienlijk.

Hoe diep

De vuistregel voor bloembollen is twee tot drie keer de hoogte van de bol, met een minimum van ongeveer 5 cm. Een tulpenbol van 5 cm hoog gaat dus 10 tot 15 cm diep. Die diepte beschermt tegen vorst en geeft de plant stabiliteit. Te ondiep planten leidt tot twee problemen: vorstschade aan de bol en omvallende stelen bij bloei, omdat het anker te zwak is. Te diep planten kost energie: de scheut moet verder omhoog worstelen, wat late of zelfs uitblijvende bloei oplevert.

De punt van de bol wijst naar boven, de platte kant met de wortelprimordia naar beneden. Bij twijfel: de platte kant is altijd de onderkant. Wie verkeerd plant, ziet dat de scheut een omweg maakt, wat groei vertraagt maar zelden fataal is. Bij verwilderde bollengroepen waar de grond niet meer wordt omgespit, reguleren bollen hun diepte overigens zelf: ze zakken langzaam naar een optimale positie of trekken zich iets omhoog, afhankelijk van het jaarlijkse wortelwerk.

Grotere bollen zoals die van alliums gaan dieper, kleinere zoals die van krokussen kunnen met minder. Het plantgat hoeft niet perfect te zijn: een paar centimeter verschil valt binnen de marge die de plant zelf aankan.

Waar het misgaat: natte voeten

Bollen zijn opslagorganen vol zetmeel en suikers, en rotten bij gebrek aan drainage. Grond die in de winter plaswater houdt, is geen bollenplek, hoe zonnig of mooi gelegen ook. Op zware klei helpt een laag zand of grind onder de bol meer dan welke verzorging dan ook. Zelfs een dunne laag kan al het verschil maken tussen een bol die overleeft en een bol die wegrot.

Datzelfde drainage-principe geldt voor planten die van nature droge, doorlatende grond willen, zoals lavendel. Waar grond te veel vocht vasthoudt, lost verbetering van de structuur meer op dan aanpassing van de watergift. Bij taxus is drainage net zo bepalend: natte voeten leiden tot wortelrot, ook al is taxus verder een tolerante plant.

Wie geen zand of grind bij de hand heeft, plant op een lichte verhoging of kiest een plek waar het water natuurlijk wegloopt. In een border met vaste planten kan dat tussen de hortensia’s en astilbes vandaan zijn en richting de zonnigere kant, waar de grond sneller opdroogt. Bollen planten in potten of bakken is een alternatief, mits de pot een afvoergat heeft en niet op een schotel staat die het water opvangt.

Naturaliseren of eenmalig

Niet alle bloembollen komen jaar na jaar terug met dezelfde kracht. Narcissen, krokussen en sneeuwklokjes verwilderen goed: ze zaaien zich uit, de bollen delen zich en na een paar jaar staat er een veld waar je er een handvol plantte. Moderne tulpencultivars doen dat zelden. Ze zijn gekweekt op grote bloemen en felle kleuren, en dat gaat ten koste van de vitaliteit. Het eerste jaar bloeien ze spectaculair, het tweede jaar zwakker, en daarna verdwijnen ze vaak.

Wie elk voorjaar hetzelfde tulpenbeeld wil, plant tulpen jaarlijks bij of vervangt ze helemaal. Wie een zichzelf uitbreidend veld wil, kiest voor narcissen, krokussen of wilde tulpensoorten zoals Tulipa sylvestris, die wel naturaliseren. Dit verschil bepaalt wat je koopt, hoeveel je uitgeeft en of je tevreden bent met het resultaat over vijf jaar. Het is geen fout om te kiezen voor eenjarige pracht, maar het moet wel een bewuste keuze zijn.

Verwilderende bollen vragen weinig: plant ze op een plek waar ze met rust gelaten worden, laat het blad uitsterven na de bloei en geniet. Eenjarige bollen vragen hetzelfde, maar dan elk seizoen opnieuw.

Na de bloei: het blad moet blijven

De meest gemaakte fout na een geslaagde aanplant is het afknippen van het blad zodra de bloem is uitgebloeid. Dat blad vult de bol voor volgend jaar. Zes weken na de bloei is het blad meestal voldoende vergeeld en komt het met een lichte trek los. Wie eerder knipt, berooft de bol van zijn energiebron en krijgt in het tweede jaar zwakke of geen bloei.

Dat vergeelde blad is lelijk, daar valt weinig tegen in te brengen. Wie het niet wil zien, plant bollen tussen vaste planten die opkomen terwijl de bollen bloeien en die het vergeelde blad later camoufleren. Ooievaarsbek, alchemilla en geraniums doen dat werk goed. Een andere oplossing is bollen planten in stroken of groepen aan de rand van het zicht, waar je ze bewust bekijkt tijdens de bloei en negeert tijdens de afsterving.

Het blad omvlechten of met een elastiekje samenbinden helpt niet: het vermindert het bladoppervlak dat licht opvangt, wat hetzelfde effect heeft als te vroeg knippen. De bol vult zich niet voldoende, en volgend jaar valt de bloei tegen. Laat het blad met rust, hoe lelijk het ook wordt.

Grond, klimaat en cultivar verschillen per tuin, en wat hier beschreven staat is een algemene leidraad. Bij twijfel over toxiciteit voor kinderen of huisdieren: raadpleeg het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum of een dierenarts in plaats van te vertrouwen op een artikel.